Tel: +31 (0)320 233 572

Toepassingen

Bodeminsecten

De larven van een aantal insecten bevinden zich in de bodem of worden afgezet in of bij de stam van bomen of planten. De hiernavolgende bodeminsecten zijn veelvoorkomende plagen in de bodem. Wanneer er, door een minder vitale bodem en een zwakke weerbaarheid van de boom of plant, sprake is van één van deze insecten kunt u één van de onderstaande producten toepassen. Deze producten ondersteunen het natuurlijk herstellend vermogen van bomen en planten en werken plantversterkend bij invloeden van buitenaf, in de bodem en bij de wortels

Larve Taxuskevers

De taxuskever richt schade aan de bladeren van bomen en planten. Dit is niet zeer schadelijk voor het gewas, het is alleen minder fraai. De larven van de taxuskever veroorzaken echter veel meer schade in bomen, hagen en sierplanten. De vrouwtjes leggen vanaf mei circa. 500 eitjes, welke na 8-20 dagen uitkomen. Deze larven zullen de wortels aanvreten, de larven worden weer kevers die weer eitjes leggen. Dit resulteert in nieuwe larven, die in het voorjaar weer schade aan kunnen richten. Hierdoor kan de plant twee keer per jaar schade ondervinden. De larven vreten aan kleine wortels. Naarmate ze groeien zullen ze steeds grotere wortels, wortelknollen en zelfs ontblote schors aantasten. Soms komt het ook voor dat ze de wortelhals aanvreten, waardoor de plant omknakt.

Engerlingen

Engerlingen zijn de larven van bladsprietkevers. De meeste kevers richten op zichzelf geen grote schade aan. De engerlingen zijn echter vraatzuchtige larven die allemaal aan de wortels van gras, bomen (vooral naaldbomen en beuken) en soms groente eten. Dat kan grote schade veroorzaken. Bomen en grasmatten maar ook (sier)planten kunnen door de vraatzucht van engerlingen afsterven. Gras raakt los van de wortels en verdroogt, waardoor hele plaggen op te tillen zijn. Onder de plag treft men dan vaak ook heel veel larven aan. Een secundaire schade ontstaat door de beestjes die zich voeden met Engerlingen, zoals kraaien, eksters, mollen en egels, waardoor de grasmat omgeploegd kan worden. Dit is vooral een groot probleem voor golfbanen en sportvelden.
Afhankelijk van het soort kever, komt deze vanaf april tot juni uit zijn popstadium te voorschijn, en begint dan met het eten aan bladeren. Ze gaan dan, vanaf het voorzomerseizoen tot medio september, eitjes leggen op circa 10-15 centimeter diepte. Deze eitjes komen na circa 4-6 weken uit en zo zijn de vraatzuchtige engerlingen geboren. Sommige engerlingen kruipen gedurende de wintermaanden diep onder de grond en komen bij het stijgen van de bodemtemperatuur weer bij de graszode, waar weer grote schade wordt aangericht. Bij hele zachte winters kruipen ze niet eens echt weg. Er zijn ook engerlingen die nooit wegkruipen, maar de gehele winter actief blijven met eten. Dit zijn onder andere de sallandkever, de roestbruine bladspietkever en de mestkever. Afhankelijk van het soort duren de larvale stadia tussen de één jaar tot vijf jaar, waarna de larve verpopt tot een kever. Zo zal de cyclus zich weer herhalen. Elke soort kever heeft zijn eigen levenscyclus. Een behandeling met GRAMISEC moet per situatie worden aangepast. De Engerlingen van de meikever zijn bijvoorbeeld van mei tot oktober actief, engerlingen van de rozenkever zijn pas na half juli aanwezig, de larve van de junikever verschijnt vanaf eind juli tot ongeveer eind september.

Emelten

Emelten zijn de larven van de langpootmug. Afhankelijk van het soort hebben langpootmuggen normaal gesproken een levenscyclus van een jaar. Het volwassen vrouwtje legt circa 450 tot 1300 eitjes die na tien tot veertien dagen uitkomen. Grasmatten kunnen dan flink aangetast worden door de vraatzuchtige larven. Emelten zijn taaie, grauwe en pootloze larven. Ze zijn ongeveer 2 cm tot 4 cm lang. Als de larve schrikt, trekt ze haar kop terug, maar rolt zich – in tegenstelling tot de aardrups – niet op. De larvale stadia zijn te vinden vanaf half september tot juni van het volgende jaar. De larven overwinteren in de grond en gaan in het voorjaar weer door met eten. In juni verpoppen ze en na tien tot veertien dagen komt de mug tevoorschijn waarna de cyclus zich weer herhaalt. Emelten kunnen temperaturen van -10 ° C overleven. Emelten leven grotendeels ondergronds in holletjes, maar komen ’s nachts boven de grond om te vreten. Ze eten bovengronds plantenmateriaal dat bladgroen bevat. De plantendelen worden afgebeten en meegetrokken in het holletje. Bij oudere emelten is een kaal afgegraasd plekje te vinden rond dit hol. Ze vreten aan de ondergrondse groene delen van de plant, zoals stengeldelen of aan de wortelhals. Hierdoor raakt de plant ernstig verzwakt, of valt zelfs geheel om. De gunstigste leefomstandigheden voor de emelt is een verzwakte grasmat (smeul), een natte herfst en een zachte winter. Schade door emelten komt voor bij vele gewassen, vooral van grasland (weiland, sportvelden en openbaar groen), maar ook van bieten-zaailingen, wintertarwe en diverse vollegrondsgroenten. De schade kan bestaan uit opbrengstvermindering en verslechtering van de zodekwaliteit. Muizen, spitsmuizen, mollen, spreeuwen en kraaien zijn dol op emelten. Zij veroorzaken door het omploegen van de grond een secundaire schade aan met name graslanden.

Larve Kniptorren: Ritnaalden

De ritnaald of koperworm is de larve van een kever uit de familie kniptorren. De kniptor zet in mei-juni haar eitjes vooral af in grasland, (winter-)granen en dicht onkruid. In juli en augustus verpopt de ritnaald meestal op 10 – 25 cm diepte in de grond, maar ze kunnen ook bovenin onder de begroeiing overwinteren. In het voorjaar worden ze weer actief en komen ze omhoog. De larven leven 3 à 4 jaar in de grond om tenslotte te verpoppen tot een kniptor. De ritnaald komt vooral voor in weilanden, maar geeft in de akkerbouw en groenteteelt de meeste schade, vooral bij gescheurd grasland. De meeste ritnaalden zijn vegetariërs, die vooral aan wortels knagen. De tot 2 cm lange larve heeft drie paar poten en leeft niet alleen van dood organisch materiaal, maar ze boren zich ook in vlezige wortels of net onder de wortelhals van de plant. Jonge planten van onder andere sla, kool, witlof, suikerbieten, mais gaan hierdoor verwelken. Daarnaast maken ritnaalden door hun gangen groenten zoals aardappelen en wortels onverkoopbaar.